|
prefab betonkernactivering |
|
duurzaam koelen |
|
duurzaam verwarmen |
De warmtetransmissiecoëfficiënt (convectie en straling) bedraagt in het ontwerp 11 W/m2 K voor vloerverwarming, 8 W/m2 K voor wandverwarming en 6 /m2 K voor plafondverwarming (tab. 2). In alle gevallen bedraagt de stralingswarmtetransmissie 5,5 W/m2 K; de rest is convectie. Samen met de eisen voor de maximale oppervlaktetemperatuur (behaaglijkheid) is het mogelijk om het maximale vermogen te berekenen bij een bepaalde ruimtetemperatuur. Bij een ruimtetemperatuur van 20° C is het maximale vermogen van een vloerverwarming 100 W/m2 (vloertemperatuur = 29° C) en het vermogen van de randzone bij vloer ver warming (165 W/m2). Het vermogen van een plafondver warming is vanwege de toelaatbare stralingsasymmetrie gelimiteerd tot 40–50 W/m2. De benodigde temperaturen van het verwarmingswater zijn afhankelijk van de constructie van vloer, wand of plafond. Bij wand- en plafondver warming is de bedekking van de buizen kleiner dan bij vloerver warming zodat de warmteweerstand tussen verwarmingswater en opper vlakte kleiner is. Daarentegen is bij thermische betonkernactivering in verdiepingsvloeren de warmte-afgifte via de vloer vanwege geluidsisolatie, vloerbedekking en evt. holle ruimten gering.
In praktijk kunnen de warmtetransmissiecoëfficiënten volgens tabel 2 als gemiddelde waarde worden gebruikt. Bovendien dient men er rekening mee te houden dat bij oppervlaktekoeling, voor het beoordelen van de mate van comfort, uitgegaan kan worden van de effectieve temperatuur. Daardoor kan de voor het convectieve koelvermogen verantwoordelijke luchttemperatuur ca. 1 tot 1.5 Kelvin boven de toelaatbare maximale effectieve ruimtetemperatuur worden aangehouden. Hierdoor is bij plafondkoeling al snel een koelvermogen tot 100 W/m2 mogelijk. Voor vloerkoeling ligt de maximale waarde onder normale omstandigheden aanzienlijk lager. Zonder direct invallend zonlicht bedraagt deze 40 tot 45 W/m2. In ruimten met grote ramen (atriums, hallen) heeft men echter vaak te maken met direct zonlicht op de vloer. Dan kan het koelvermogen eveneens waarden van 100 W/m2 en meer bereiken. Om de invloed van de opbouw van de betonplaat te onderzoeken, zijn twee gevallen met een 30 cm dikke plaat doorgerekend. In het eerste geval gaat het om een homogene betonplaat. In het tweede geval zijn de bovenste 2 cm vervangen door een houten vloer, die het warmtetransport tussen oppervlakte en kern enigszins beperkt. In beide gevallen wordt de ruimte tussen 7.00 en 17.00 uur blootgesteld aan een belasting van 65 W/m2, die op basis van de transmissie van de raamgevel (k-waarde = 1,5) tegen de buitentemperatuur (16 tot 32° C) en op basis van een 1,5- voudige luchtverversing (temperatuur aangevoerde lucht = 20° C) iets wordt gecorrigeerd. De beide figuren 8a en 8b tonen het verschillende gedrag van de betonplaten en hun invloed op de effectieve temperatuur.
bouwkundige eisen - simulatieberekeningen - ontwerp, opbouw en instalatie - regeling - warmte en koelbronnen - duurzaamheid